Al geruime tijd ga ik op verkenning in het gebouw waar mijn kamer woont. Iedere keer een stukje verder. Tijdens mijn tocht vandaag ontdekte ik de kelder.

Om het gevaar te ontwijken dat ik een overvolle ruimte zou vinden waar ik persoonlijk niets te zoeken had, besloot ik vandaag de duisternis op te zoeken. Ik had de haarscheuren in de gang gevolgd tot ik er geen lichtpunt meer doorheen zag komen. Daar waar geen licht is, geen mensen; toch?
Mensen zijn net als nieuwe groene plantjes. Ze piepen tussen de scherven en scheuren door om maar een glimpje licht op te vangen. Bewegen zich harmonieus in lange rijen naar de kust als het kwik zich boven de 25 graden uitperst. En terwijl ze ingeblikt bij temperaturen van zo’n 35 graden braaf staan te wachten op hun bevrijding, verschuil ik mijzelf in de schaduw van de dag. De zon brandt te fel. De zware lucht maakt mijn longen loom. De tranen in mijn ogen kunnen het licht niet buitensluiten. Ik sluit mijn ogen, maar de rood-oranje gloed maakt me onrustig. Het is alsof de hele wereld brand. Snel vlucht ik naar binnen om op de koele stenen vloer tot mezelf te komen. De gordijnen geven de schemering waar ik naar verlang. Zoveel minder kwetsbaar in de schaduw.

Vandaag ontdekte ik dus de kelder. Een koele, zwarte ruimte met een ietwat bedompte lucht. Het licht vanuit de bredere scheur verderop in de gang geeft juist genoeg om de spullen in de kelder te kunnen onderscheiden. Mijn ogen glijden over een oude, rotan stoel. Waar hier en daar een spriet uitsteekt daar waar het rotan zichzelf niet meer in bedwang kan houden. Nog enkele jaren en het stoeltje zal een stekelvarken zijn van onbedwingbare oude twijgen. Maar nu doet het mij vooral denken aan die ene vrouw. Ik zag haar in de winkelruimte.
Ze is keurig gekleed en haar haar zou je onberispelijk verwachten. Maar uit haar strakke knot springen weerbarstige haren. Alsof ze een eigen leven leiden en de draak steken met hun draagster. Giechelend deinen ze op en neer bij iedere ferme stap van de struise dame. Ik bekijk het tafereel met enige nieuwsgierigheid. Zou het bij deze deinende enkelingen blijven of zou uiteindelijk de hele massa samengevatte haren bedenken: “Bekijk het maar!” Strak gespannen op een kluitje is dan ook een hele opgave.
De vrouw zelf is een uniek item op zich. Ze doet mij ergens denken aan een iets te lang aangebleven schooldirectrice met wollen mantelpakje. Keurig achterhaald. Alsof er nog iets van oude macht aanwezig behoort te zijn, maar allang vervlogen is met de jaren. De dame heeft het zelf nog niet door. De rebellie op haar hoofd zou haar vroeger immers nooit ontgaan zijn. Ze had de touwtjes strak in handen. Niets ontsnapte aan haar aandacht.

“Het is een schande.” Het lijkt welhaast of ze de tekst die ze eruit wil persen aan het declameren is. Of er iets van kunst uit haar mond zal ontstaan. Ze kijkt erbij of ze ons ervan bewust wil maken dat haar boodschap het enige is dat die middag nog telt. “En ik zou zeggen dat.. dat..” Ademloos wachten we op het vervolg van de schande. De ogen van de vrouw beginnen echter ineens wild om zich heen te zoeken. Een paniekerige uitdrukking verspreidt zichzelf langzamerhand als een olievlek over haar hele gezicht en verovert uiteindelijk haar hele lichaam. De struise dame verandert in een bevend hoopje ellende en ik weet niet waar ik moet kijken. De winkelbediende probeert de vrouw te kalmeren, te troosten. Maar de vrouw slaat de handen weg van het zenuwachtige kind. Ze schudt haar hoofd heen en weer en met de beweging van haar hoofd schieten nog meer kirrende haren uit de knot. De haren hebben de grootste lol samen op dat hoofd en bulderend van het lachen slaan ze elkaar om de oren.
“Moeder!” Ineens wordt mijn fascinatie voor het schouwspel ruw onderbroken. Een lange man dendert de zaak binnen en pakt de oude vrouw bij haar elleboog. “Waarom ben je weggelopen? Ik was nog niet klaar met het afsluiten van de auto.” “Ik heb boter nodig.” stamelt de vrouw. De man kijkt enigzins verdwaasd om zich heen. “Dit is een schoenenzaak mama.” fluistert de man zijn zichtbaar de weg kwijt zijnde moeder toe. Ergens zie ik in de vrouw iets ontstaan. Ik weet niet wat het is. Het heeft met het struise van eerder te maken. Alsof ze haar veren rechtzet, haar haren in toom wil houden, haar grip op de werkelijkheid vast probeert te grijpen. Ze schikt een lok haar, die ons bungelend langs haar oog gedag wil zwaaien, achter haar oor. Ze gaat rechtop staan en pakt de man bij zijn uitgestoken arm vast. Ik heb de neiging om te salueren, maar mijn arm blijft halverwege de actie steken. De man mompelt iets van ‘goedemiddag nog’ en de vrouw kijkt niet meer om. Ik wuif langzaam naar de knot met teleurgestelde sprieten. Ze hadden nog zo graag even rondgehangen hier. Ik weet hoe ze zich voelen. Strakgespannen op een kluitje is een hele opgave…